verb
to destroy, to ruin
B1
zerstören is een regelmatig werkwoord en betekent „vernielen”, „verwoesten” of „kapotmaken”. Het wordt met een lijdend voorwerp gebruikt: etwas zerstören. Perfekt met haben; voltooid deelwoord: zerstört. In de tegenwoordige tijd is er o→ö: ich zerstöre. Passief komt vaak voor.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Die Flut zerstörte die Brücke, obwohl die Bauarbeiter sie kurz zuvor noch reparierten.
De overstroming verwoestte de brug, hoewel de bouwvakkers die kort daarvoor nog hadden gerepareerd.
Der Sturm hat viele Häuser zerstört.
De storm heeft veel huizen verwoest.
Wenn du die Beweise zerstörst, ruinierst du das ganze Projekt.
Als je het bewijsmateriaal vernietigt, verpest je het hele project.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Picture a building being torn down with the label 'zerstören' stamped across it.
Think 'zest-TORE-en' — imagine tearing ('tore') something apart.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Past participle is 'zerstört' (no 'ge-' because of the prefix 'zer-'). Use with haben in perfect tenses.