verb
zoeken, opzoeken
A1
suchen betekent ‘zoeken’ of ‘op zoek zijn naar’. Het is een regelmatig zwak werkwoord met haben in de voltooide tijd en het voltooid deelwoord gesucht. Niet wederkerig en niet scheidbaar. Het kan een lijdend voorwerp nemen of met nach + datief staan.
Voorbeelden
Ich suche meine Brille.
Ik zoek mijn bril.
Ich suche meinen Schlüssel.
Ik zoek mijn sleutel.
Sie suchte ihre Brille.
Ze zocht haar bril.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand voor die kussens omdraait om verloren sleutels te zoeken.
Klinkt als «sook-en» — stel je voor dat je «sook» zegt terwijl je zoekt.
N/A
Opmerkingen
Een veelgebruikt overgankelijk werkwoord; passieve constructies (gesucht werden) komen vaak voor.