stehen

verb
staan
A1

stehen is een sterk, onregelmatig werkwoord met de betekenis ‘staan’ of ‘zich bevinden’. Je gebruikt het voor een fysieke houding én voor de ligging van iets: Das Buch steht auf dem Tisch. Präteritum: stand; voltooid deelwoord: gestanden. Hulpwerkwoord: haben.

Voorbeelden

Das Fahrrad steht vor dem Haus.
De fiets staat voor het huis.
Ich habe lange gestanden.
Ik heb lang gestaan.
Das Auto stand vor der Garage.
De auto stond voor de garage.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigNee
Werkwoordtypestrong
Stamveranderingene → a in Präteritum (stand); Partizip II: gestanden

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es steht
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es stand
Perfekter/sie/es hat gestanden

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je iemand voor die rechtop staat met het woord ‘stehen’ erboven.
👂Denk aan het Engelse ‘stand’; ‘stehen’ is het Duitse equivalent.

Opmerkingen

Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichstehe
dustehst
er/sie/essteht
wirstehen
ihrsteht
sie/Siestehen
ichstehe
dustehest
er/sie/esstehe
wirstehen
ihrstehet
sie/Siestehen
ichstünde
dustündest
er/sie/esstünde
wirstünden
ihrstündet
sie/Siestünden
dusteh!
ihrsteht!
SieStehen!