verb
staan
A1
stehen is een sterk, onregelmatig werkwoord met de betekenis ‘staan’ of ‘zich bevinden’. Je gebruikt het voor een fysieke houding én voor de ligging van iets: Das Buch steht auf dem Tisch. Präteritum: stand; voltooid deelwoord: gestanden. Hulpwerkwoord: haben.
Voorbeelden
Das Fahrrad steht vor dem Haus.
De fiets staat voor het huis.
Ich habe lange gestanden.
Ik heb lang gestaan.
Das Auto stand vor der Garage.
De auto stond voor de garage.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand voor die rechtop staat met het woord ‘stehen’ erboven.
Denk aan het Engelse ‘stand’; ‘stehen’ is het Duitse equivalent.
Opmerkingen
Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.