verb
steken, inbrengen, stoppen
B1
stecken betekent ‘iets ergens insteken/stoppen’, maar ook ‘vastzitten’ of ‘zich bevinden in’. Het is een zwak, niet-scheidbaar werkwoord met haben; voltooid deelwoord: gesteckt. Vaak met in: etwas in die Tasche stecken.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Steck den USB-Stick in den Computer.
Steek de USB-stick in de computer.
Das Geld steckte in seiner Tasche.
Het geld zat in zijn zak.
Ich habe den Schlüssel in die Tasche gesteckt.
Ik heb de sleutel in de tas gestopt.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je voor dat je een kaart in een gleuf schuift — je ‘stecken’ hem erin.
Klinkt als ‘stack’ (iets erin stoppen).
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Betekenis 1 (transitief): iets plaatsen of invoegen. „stecken” komt vaak voor in veel vaste combinaties (etwas in die Tasche stecken).