sitzen

verb
zitten
A1

Werkwoord: sitzen betekent „zitten” of „zich in zittende houding bevinden”. Het is intransitief en niet-reflexief. In de voltooide tijd: ich habe gesessen. Sterk/onregelmatig werkwoord met klinkerwisseling i → a: Präteritum saß, voltooid deelwoord gesessen. Veelgebruikt.

Voorbeelden

Und dann saßen sie lange im Café.
En toen zaten ze lang in het café.
Ich sitze auf dem Stuhl.
Ik zit op de stoel.
Er saß am Fenster.
Hij zat bij het raam.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigNee
Werkwoordtypestrong
Stamveranderingeni → a in Präteritum (saß); Partizip II: gesessen

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es sitzt
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es saß
Perfekter/sie/es hat gesessen

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je iemand voor die op een stoel zit, de handeling ‘sit’ herhaald.
👂Klinkt als ‘sit’ met een ‘-en’-uitgang — denk aan Engels ‘sit’ + ‘en’.

Opmerkingen

Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichsitze
dusitzt
er/sie/essitzt
wirsitzen
ihrsitzt
sie/Siesitzen
ichsitze
dusitzest
er/sie/essitze
wirsitzen
ihrsitzet
sie/Siesitzen
ichsäße
dusähest
er/sie/essäße
wirsäßen
ihrsäßet
sie/Siesäßen
dusitz!
ihrsitzt!
SieSitzen!