verb
zitten
A1
Werkwoord: sitzen betekent „zitten” of „zich in zittende houding bevinden”. Het is intransitief en niet-reflexief. In de voltooide tijd: ich habe gesessen. Sterk/onregelmatig werkwoord met klinkerwisseling i → a: Präteritum saß, voltooid deelwoord gesessen. Veelgebruikt.
Voorbeelden
Und dann saßen sie lange im Café.
En toen zaten ze lang in het café.
Ich sitze auf dem Stuhl.
Ik zit op de stoel.
Er saß am Fenster.
Hij zat bij het raam.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand voor die op een stoel zit, de handeling ‘sit’ herhaald.
Klinkt als ‘sit’ met een ‘-en’-uitgang — denk aan Engels ‘sit’ + ‘en’.
Opmerkingen
Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.