verb
liggen, zich bevinden, gelegen zijn
A1
liegen betekent ‘liggen, zich bevinden, gelegen zijn’. Het is een intransitief werkwoord en krijgt geen lijdend voorwerp, in tegenstelling tot legen. Het is sterk en onregelmatig: Präteritum lag, voltooid deelwoord gelegen. In de voltooide tijden gebruik je haben.
Voorbeelden
Gestern lag ich zu lange in der Sonne.
Gisteren lag ik te lang in de zon.
Das Buch liegt auf dem Tisch.
Het boek ligt op tafel.
Der Brief lag auf dem Tisch, als der Hausherr nach Hause kam.
De brief lag op tafel toen de huiseigenaar thuiskwam.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een boek voor dat plat ligt op een beschutte plek, een ‘lee’.
klinkt als ‘lean’ — stel je iets voor dat leunt / ligt.
Opmerkingen
Statisch werkwoord met de betekenis ‘liggen’ (in horizontale positie zijn of zich bevinden). Sterk onregelmatig (lag — gelegen). Gebruikt hebben in de voltooide tijden. Onovergankelijk werkwoord; passieve vervoegingsblokken zijn niet van toepassing.