noun
stekker, connector, plug
B1
Stecker is een mannelijk zelfstandig naamwoord en betekent „stekker”, „connector” of „plug”. Het meervoud is gelijk aan het enkelvoud: die Stecker. Genitief enkelvoud: des Steckers. Veelgebruikt in het dagelijks leven en in technische contexten, bijvoorbeeld: den Stecker in die Steckdose stecken.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Der Stecker passt nicht in die Steckdose.
De stekker past niet in het stopcontact.
Der Stecker passt nicht in die amerikanische Steckdose.
De stekker past niet in het Amerikaanse stopcontact.
Der Schüler zog den Stecker heraus, bevor das Gewitter anfing.
De leerling trok de stekker eruit voordat het onweer begon.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een tweepolige stekker voor die je in het stopcontact duwt
klinkt als ‘sticker’ — stel je een kleine stekker met een sticker voor
Der Stecker — onthoud het mannelijke ‘der’ zoals in ‘der Hammer’ (gereedschap en hardware zijn vaak ‘der’)
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Verwijst naar een elektrische stekker of connector. Het meervoud is in veel contexten hetzelfde als het enkelvoud («Stecker»).