verb
leggen, neerleggen, plaatsen
A1
legen betekent ‘leggen, neerleggen, zetten’. Het is een transitief werkwoord en krijgt meestal een lijdend voorwerp in de accusatief. Het is zwak en regelmatig: voltooid deelwoord gelegt, hulpwerkwoord haben. Gebruik het voor een horizontale positie, tegenover stellen.
Voorbeelden
Der Gärtner legte neue Pflanzen in den Boden, als der Frost vorbei war.
De tuinman zette nieuwe planten in de grond toen de vorst voorbij was.
Ich lege das Buch auf den Tisch.
Ik leg het boek op de tafel.
Er legte den Stift auf den Tisch.
Hij legde de pen op de tafel.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je een 'been' op een tafel legt om het neer te leggen.
Klinkt als 'leg in' — leg iets op het been (neerleggen).
Opmerkingen
Transitief werkwoord (neemt een lijdend voorwerp). Gebruikt «haben» in voltooide tijden; regelmatige zwakke vervoeging.