verb
stijgen, klimmen, toenemen, omhooggaan
B1
steigen is een sterk, onovergankelijk werkwoord met de betekenissen „stijgen”, „klimmen” of „toenemen”. In de voltooide tijd gebruikt het sein: ich bin gestiegen. Verleden tijd: stieg; voltooid deelwoord: gestiegen. Niet scheidbaar of wederkerend.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Nach dem starken Regen steigt der Pegel des Flusses.
Na de zware regen stijgt het waterpeil van de rivier.
Ich steige in den Bus.
Ik stap in de bus.
Er ist auf den Berg gestiegen.
Hij is de berg opgeklommen.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je trappen (Steig) voor die omhoog gaan — elke trede laat je hoger ‘stijgen’.
Klinkt een beetje als het Engelse ‘staying’, maar stel je voor dat je omhoog beweegt in plaats van stil te blijven staan.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
In het Duits neemt steigen vaak sein als hulpwerkwoord in de voltooide tijden (ist gestiegen). Het is onovergankelijk in de betekenis van omhoog bewegen; voor ‘toenemen’ in transitieve zin gebruik je steigern. Omdat steigen normaal onovergankelijk is en zijn voltooide tijd met «sein» vormt, wordt een normaal Vorgangspassiv doorgaans niet gebruikt; passiefachtige of onpersoonlijke constructies zijn in beperkte contexten mogelijk, maar volledige persoonlijke passiefparadigma’s zijn misleidend en worden hier daarom niet gegeven. | Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.