verb
scheiden, scheiden van, verdelen
B1
scheiden is een sterk, onregelmatig werkwoord: Präteritum schied, voltooid deelwoord geschieden. Het betekent ‘scheiden’, ‘verdelen’; reflexief sich scheiden lassen betekent ‘scheiden/divorceren’. In het Perfekt gebruikt het meestal haben. Het is niet scheidbaar.
Voorbeelden
Das Paar hat sich scheiden lassen.
Het stel is gescheiden.
Die Maschine kann das Material in zwei Teile scheiden.
De machine kan het materiaal in twee delen scheiden.
Das Paar hat sich nach zehn Jahren entschieden, sich scheiden zu lassen.
Het stel heeft na tien jaar besloten te scheiden.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een lijn voor die wordt getrokken om twee stukken van elkaar te scheiden; die lijn is «scheiden».
Klinkt als «shy-den» — stel je iets verlegen voor dat uit elkaar beweegt.
Opmerkingen
scheiden is veelzijdig: transitief of wederkerend in contexten zoals «sich scheiden lassen» (scheiden/divorceren). Het is een ouder sterk werkwoord; in alledaagse spraak is «sich scheiden lassen» de gebruikelijke uitdrukking voor echtscheiding.