verb
kussen, zoenen
B1
küssen betekent ‘kussen’ of ‘een kus geven’. Het is een transitief werkwoord: küssen + iemand. De wederkerige vorm sich küssen betekent elkaar kussen. Het perfect wordt gevormd met haben: habe geküsst. Regelmatig zwak werkwoord zonder stamverandering.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Nachdem das Paar sich heimlich küsste, gingen die Beteiligten auseinander, weil sie nicht entdeckt werden wollten.
Nadat het stel elkaar stiekem had gekust, gingen de betrokkenen uit elkaar omdat ze niet ontdekt wilden worden.
Ich küsse meine Freundin.
Ik kus mijn vriendin.
Sie küsste das Baby kurz auf die Wange.
Ze gaf de baby snel een kus op de wang.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je twee mensen voor die zachtjes hun lippen aanraken — het universele beeld van een kus.
Klinkt als ‘koe-sen’ — denk aan een zachte ‘koe’-klank bij het kussen.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
küssen kan transitief gebruikt worden (jemanden küssen) of wederkerig in wederzijdse contexten (sich küssen = elkaar kussen). Het is een regelmatig zwak werkwoord en vormt het perfect normaal met 'haben'. De formele gebiedende wijs (Sie) vereist het voornaamwoord 'Sie' in het Duits en kan niet zonder worden uitgedrukt; daarom is de 'Sie'-vorm in de imperatief gemarkeerd als 'niet van toepassing' in de vervoegingen.