verb
lijken, schijnen
A1
scheinen heeft twee hoofdbetekenissen: „lijken” en „schijnen/stralen”. Het wordt vaak onpersoonlijk gebruikt, bijvoorbeeld Es scheint, dass… of met zu + infinitief. Het is een sterk werkwoord: Präteritum schien, voltooid deelwoord geschienen. Hulwerkwoord: haben.
Voorbeelden
Die Sonne hat heute nicht geschienen.
De zon heeft vandaag niet geschenen.
Die Sonne scheint heute sehr stark.
De zon schijnt vandaag heel sterk.
Die Sonne hat den ganzen Tag geschienen.
De zon scheen de hele dag.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je zonlicht voor dat lijkt te verschijnen, waarbij ‘lijken’ en ‘schijnen’ samenkomen.
Klinkt een beetje als ‘shine’ — koppel het aan de betekenis ‘schijnen’.
Opmerkingen
Intransitief in de betekenis ‘lijken’; ook gebruikt voor licht in de betekenis ‘schijnen’. De lijdende vorm wordt doorgaans niet gebruikt. | Intransitief werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.