verb
kijken, aanschouwen
B1
schauen is een regelmatig werkwoord en betekent „kijken”, „aanschouwen” of „bekijken”. Het vormt het perfectum met haben: geschaut. Niet scheidbaar en niet wederkerig. Präteritum: schaute. In de spreektaal lijkt het vaak op sehen, maar het benadrukt meestal bewust kijken.
Voorbeelden
Nachdem der Film zu Ende war, schauten die Freunde die Kritiken an, um zu entscheiden, ob sie eine Fortsetzung sehen würden.
Nadat de film was afgelopen, keken de vrienden naar de recensies om te beslissen of ze een vervolg zouden gaan zien.
Sie schaute zum Himmel.
Ze keek naar de hemel.
Ich schaue aus dem Fenster, um die Vögel zu beobachten.
Ik kijk uit het raam om de vogels te observeren.
Details
Ezelsbruggetjes
Picture someone peering through a window: they 'schauen' to see what's outside.
sounds like 'show-in' — imagine 'looking' to show you something
Opmerkingen
Schauen is een veelgebruikt zwak werkwoord dat afhankelijk van de context zowel ‘kijken’ als ‘bekijken’ betekent. Bij kijken naar iets (bijv. tv, een film) overlapt het vaak met sehen.