noun
etalage, winkelruit, showwindow
B1
Schaufenster (das, mv. Schaufenster) betekent ‘etalage’ of ‘winkelruit’, de plek waar goederen worden uitgestald. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord met dezelfde vorm in het meervoud. Regelmatige verbuiging; veel gebruikt in de handel.
Voorbeelden
Im Schaufenster sind die neuesten Modetrends ausgestellt.
In de etalage worden de nieuwste modetrends getoond.
Viele Leute blieben stehen, um das Schaufenster zu betrachten.
Veel mensen bleven staan om naar de etalage te kijken.
Nachdem man die Schaufenster neu dekorierte, blieben viele Passanten stehen und machten Fotos.
Nadat de etalages opnieuw waren সাজ?
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een winkel voor die zijn beste spullen achter een grote ruit „laat zien” — dat is een Schaufenster.
klinkt als „show-window” — denk aan „show” (Schau) + raam (Fenster)
das = onzijdig: denk aan „das” als „dit ding” — de etalage is een voorwerp (het).
Opmerkingen
Schaufenster is onzijdig en blijft in het meervoud vaak onveranderd (die Schaufenster). In gesproken Duits hoor je ook wel „Schaufensterbummel” voor een etalagewandeling.