verb
redden, voor elkaar krijgen, scheppen
A2
schaffen betekent ‘lukken, voor elkaar krijgen’ of ‘scheppen, creëren’. Het is een niet-scheidbaar werkwoord, gebruikt met haben, en hoort bij de onregelmatige/mengvormen. Let op het voltooid deelwoord: geschafft = gelukt; geschaffen = gecreëerd.
Voorbeelden
Ich schaffe das.
Ik kan het.
Er hat die Arbeit geschafft.
Hij is erin geslaagd het werk af te maken.
Das Team schaffte die schwierige Aufgabe, obwohl das Budget sehr knapp war.
Het team klaarde de moeilijke taak, hoewel het budget erg krap was.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand op kantoor voor die een grote takenlijst met het label ‘schaffen’ afvinkt (klaar).
klinkt als ‘sjaf-fun’ — stel je voor dat je een zware taak afmaakt en ‘sjaffun’ voelt (weggeduwde lol)
Opmerkingen
Het werkwoord heeft twee veelvoorkomende betekenissen met verschillende historische paradigma’s: (A) «schaffen» = redden / voor elkaar krijgen (zwak): Präteritum schaffte, Partizip II geschafft. (B) «schaffen» = scheppen / creëren (sterk): Präteritum schuf, Partizip II geschaffen. In modern gebruik komen beide paradigma’s voor, afhankelijk van de betekenis; dit lemma documenteert beide.