verb
bouwen, construeren
A2
bauen betekent ‘bouwen’ of ‘oprichten’, bijvoorbeeld een huis. Het is een zwak, regelmatig werkwoord, niet scheidbaar en niet wederkerend; Perfekt: hat gebaut. Ook figuurlijk: Vertrauen aufbauen. Imperatief: bau!
Voorbeelden
Wir bauen ein Haus.
We bouwen een huis.
Die Arbeiter bauten eine Brücke, weil die alte Straße gesperrt worden war.
De arbeiders bouwden een brug omdat de oude weg was afgesloten.
Er hat ein neues Haus gebaut.
Hij heeft een nieuw huis gebouwd.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je bouwblokken opstapelt om een huis te vormen — elk blok helpt je te 'bauen' (bouwen).
Klinkt een beetje als 'bower' (een klein onderkomen) — stel je voor dat je een bower bouwt.
Opmerkingen
Bauen is een regelmatig zwak werkwoord dat bouwen of construeren betekent. Het gebruikt meestal 'haben' in samengestelde tijden. Verwante werkwoorden met voorvoegsels (aufbauen, abbauen, ausbauen) zijn scheidbaar en veranderen de betekenis.