vorhaben

verb
van plan zijn, van plan hebben, voornemen
B1

vorhaben is een gemengd, niet-reflexief werkwoord met de betekenis ‘van plan zijn’ of ‘voornemen’. Het heeft een scheidbaar voorvoegsel vor-: ich habe vor, du hast vor. Voltooid deelwoord: vorgehabt. Gebruik je voor plannen en intenties.

Voorbeelden

Die Studierenden hatten vor, am Wochenende zu lernen, weil die Prüfung in der nächsten Woche stattfand.
De studenten waren van plan in het weekend te studeren, omdat het examen de volgende week plaatsvond.
Ich habe nichts Besonderes vorgehabt.
Ik had niets bijzonders gepland.
Ich habe vor, nächste Woche nach Berlin zu fahren.
Ik ben van plan volgende week naar Berlijn te gaan.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarJa
RegelmatigNee
Werkwoordtypemixed
StamveranderingenIrregular because of 'haben' (hat/hatte); uses 'vorgehabt' as Partizip II.

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es hat vor
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es hatte vor
Perfekter/sie/es hat vorgehabt

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een klein vlaggetje voor op een datum in de kalender, als markering van een plan dat je al ‘hebt’.
👂Denk aan ‘for-have’ — je ‘hebt’ iets ‘voor’ de toekomst (een plan).

Opmerkingen

«Vorhaben» is scheidbaar (vor + haben) en wordt vaak gebruikt in de constructie «etwas vorhaben» met de betekenis van plan zijn / van plan hebben. Het vormt het voltooid deelwoord «vorgehabt» en neemt het hulpwerkwoord «haben».

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichhabe vor
duhast vor
er/sie/eshat vor
wirhaben vor
ihrhabt vor
sie/Siehaben vor
ichwerde vorgehabt
duwirst vorgehabt
er/sie/eswird vorgehabt
wirwerden vorgehabt
ihrwerdet vorgehabt
sie/Siewerden vorgehabt
ichhabe vor
duhabest vor
er/sie/eshabe vor
wirhaben vor
ihrhabet vor
sie/Siehaben vor
ichwerde vorgehabt
duwerdest vorgehabt
er/sie/eswerde vorgehabt
wirwerden vorgehabt
ihrwerdet vorgehabt
sie/Siewerden vorgehabt
ichhätte vor
duhättest vor
er/sie/eshätte vor
wirhätten vor
ihrhättet vor
sie/Siehätten vor
ichwürde vorgehabt
duwürdest vorgehabt
er/sie/eswürde vorgehabt
wirwürden vorgehabt
ihrwürdet vorgehabt
sie/Siewürden vorgehabt
duhab vor!
ihrhabt vor!
Siehaben vor