noun
schade, nadeel
B1
Schaden betekent ‘schade’, ‘nadeel’ of ‘letsel’. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Schaden, meervoud Schäden. Het meervoud is onregelmatig door umlaut + -en. Vaak gebruikt als algemene, soms niet-telbare term; veelvoorkomende combinaties zijn Schaden zufügen en Schaden erleiden.
Voorbeelden
Der Hagel hat großen Schaden auf dem Feld verursacht.
De hagel veroorzaakte veel schade op het veld.
Der Verkehrsunfall richtete erheblichen Schaden an.
Het verkeersongeval veroorzaakte aanzienlijke schade.
Nachdem der Sturm vorbei war, schätzte die Versicherung den Schaden, den die umgestürzten Bäume verursacht hatten.
Nadat de storm voorbij was, schatte de verzekeringsmaatschappij de schade die de omgevallen bomen hadden veroorzaakt.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een gebarsten scherm voor met een groot rood label ‘Schaden’ erop.
Klinkt als Engels ‘shaden’ — denk aan ‘shade’ dat planten schade toebrengt.
Der Schaden — stel je een mannelijke inspecteur voor die schade markeert (der).
Opmerkingen
Veelvoorkomend zelfstandig naamwoord voor fysieke of abstracte schade/nadeel. Vaak gebruikt in juridische, verzekerings- en alledaagse contexten. Het meervoud is ‘Schäden’.