planen

verb
plannen
A2

planen betekent ‘plannen’ of ‘voorbereiden’. Het is een regelmatig zwak werkwoord: voltooid deelwoord geplant, perfect met haben. Niet wederkerig en niet scheidbaar. Veel gebruikt bij projecten, reizen en evenementen.

Voorbeelden

Wir planen unseren Urlaub.
We plannen onze vakantie.
Sie plante die Party.
Zij plande het feest.
Die Architekten planten das Projekt, obwohl das Budget noch nicht genehmigt war.
De architecten planden het project, hoewel het budget nog niet was goedgekeurd.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigJa
Werkwoordtypeweak

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es plant
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es plante
Perfekter/sie/es hat geplant

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je voor dat je een eenvoudig plan of een kalender tekent met de titel «planen»
👂klinkt als Engels «plan in» — iets plannen

Opmerkingen

Regelmatig werkwoord dat wordt gebruikt om evenementen, reizen, projecten enz. te organiseren of voor te bereiden. De formele imperatief (Sie) is hier niet opgenomen omdat die het voornaamwoord «Sie» vereist, en voornaamwoorden zijn niet toegestaan in vervoegingswaarden.

Categorie

Woordenschatverkenner

In de buurt in het woordenboek

ichplane
duplanst
er/sie/esplant
wirplanen
ihrplant
sie/Sieplanen
ichwerde geplant
duwirst geplant
er/sie/eswird geplant
wirwerden geplant
ihrwerdet geplant
sie/Siewerden geplant
ichplane
duplanest
er/sie/esplane
wirplanen
ihrplanet
sie/Sieplanen
ichwerde geplant
duwerdest geplant
er/sie/eswerde geplant
wirwerden geplant
ihrwerdet geplant
sie/Siewerden geplant
ichwürde planen
duwürdest planen
er/sie/eswürde planen
wirwürden planen
ihrwürdet planen
sie/Siewürden planen
ichwürde geplant werden
duwürdest geplant werden
er/sie/eswürde geplant werden
wirwürden geplant werden
ihrwürdet geplant werden
sie/Siewürden geplant werden
duplan
ihrplant
Sienot applicable