verb
plannen
A2
planen betekent ‘plannen’ of ‘voorbereiden’. Het is een regelmatig zwak werkwoord: voltooid deelwoord geplant, perfect met haben. Niet wederkerig en niet scheidbaar. Veel gebruikt bij projecten, reizen en evenementen.
Voorbeelden
Wir planen unseren Urlaub.
We plannen onze vakantie.
Sie plante die Party.
Zij plande het feest.
Die Architekten planten das Projekt, obwohl das Budget noch nicht genehmigt war.
De architecten planden het project, hoewel het budget nog niet was goedgekeurd.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je een eenvoudig plan of een kalender tekent met de titel «planen»
klinkt als Engels «plan in» — iets plannen
Opmerkingen
Regelmatig werkwoord dat wordt gebruikt om evenementen, reizen, projecten enz. te organiseren of voor te bereiden. De formele imperatief (Sie) is hier niet opgenomen omdat die het voornaamwoord «Sie» vereist, en voornaamwoorden zijn niet toegestaan in vervoegingswaarden.