verb
branden
B1
brennen betekent „branden” of „iets verbranden”. Het kan onovergankelijk en overgankelijk gebruikt worden. Het is een zwak, regelmatig werkwoord: brannte, gebrannt. Het vormt de voltooide tijden met haben en is niet wederkerend. Zeer gebruikelijk, zonder klinkerwisseling.
Voorbeelden
Es hat lange gebrannt.
Het heeft lang gebrand.
Die Kerze brennt die ganze Nacht.
De kaars brandt de hele nacht.
Das Feuer brennt hell.
Het vuur brandt fel.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een klein vlammetje op een kaars voor dat blijft branden terwijl je «brennen» herhaalt.
Klinkt als «burn-nen» — denk aan «burn» dubbel om te onthouden dat «brennen» = branden.
Opmerkingen
Zwak (regelmatig) werkwoord in modern gebruik: Präteritum «brannte», Partizip II «gebrannt». Kan gebruikt worden voor fysiek branden en ook figuurlijk (bijv. «auf etw. brennen»). | Onovergankelijk werkwoord; passieve vervoegingsblokken zijn niet van toepassing en zijn gemarkeerd als «niet van toepassing».