brennen

verb
branden
B1

brennen betekent „branden” of „iets verbranden”. Het kan onovergankelijk en overgankelijk gebruikt worden. Het is een zwak, regelmatig werkwoord: brannte, gebrannt. Het vormt de voltooide tijden met haben en is niet wederkerend. Zeer gebruikelijk, zonder klinkerwisseling.

Voorbeelden

Es hat lange gebrannt.
Het heeft lang gebrand.
Die Kerze brennt die ganze Nacht.
De kaars brandt de hele nacht.
Das Feuer brennt hell.
Het vuur brandt fel.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigJa
Werkwoordtypeweak
StamveranderingenNo stem vowel change; past stem brannt- (brannte).

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es brennt
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es brannte
Perfekter/sie/es hat gebrannt

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een klein vlammetje op een kaars voor dat blijft branden terwijl je «brennen» herhaalt.
👂Klinkt als «burn-nen» — denk aan «burn» dubbel om te onthouden dat «brennen» = branden.

Opmerkingen

Zwak (regelmatig) werkwoord in modern gebruik: Präteritum «brannte», Partizip II «gebrannt». Kan gebruikt worden voor fysiek branden en ook figuurlijk (bijv. «auf etw. brennen»). | Onovergankelijk werkwoord; passieve vervoegingsblokken zijn niet van toepassing en zijn gemarkeerd als «niet van toepassing».

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichbrenne
dubrennst
er/sie/esbrennt
wirbrennen
ihrbrennt
sie/Siebrennen
ichbrenne
dubrennest
er/sie/esbrenne
wirbrennen
ihrbrennet
sie/Siebrennen
ichbrennte
dubrenntest
er/sie/esbrennte
wirbrannten
ihrbrenntet
sie/Siebrannten
dubrenn!
ihrbrennt!
Siebrennen!