bluten

verb
bloeden
B1

bluten betekent ‘bloeden’ of ‘bloed verliezen’. Het is een zwak, niet-scheidbaar en niet-reflexief werkwoord; voltooid deelwoord: geblutet. Perfekt met haben: hat geblutet. Veel gebruikt in medische en alledaagse contexten.

Voorbeelden

Die Wunde blutet.
De wond bloedt.
Der Verletzte blutete stark, als er auf den scharfen Metallrand fiel.
De gewonde bloedde hevig toen hij op de scherpe metalen rand viel.
Ich habe geblutet.
Ik heb gebloed.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigJa
Werkwoordtypeweak

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es blutet
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es blutete
Perfekter/sie/es hat geblutet

Ezelsbruggetjes

👁️stel je een kleine rode druppel voor die zich vormt en van een wond valt.
👂klinkt als Engels 'bleed' en 'blood' — verbonden met bloeden.

Opmerkingen

Meestal onovergankelijk (de wond bloedt). Ook figuurlijk gebruikt (bijv. 'dafür bluten' = 'de prijs betalen'). | Onovergankelijk werkwoord; passieve vervoegingsblokken zijn niet van toepassing en zijn gemarkeerd als 'niet van toepassing'.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichblute
dublutest
er/sie/esblutet
wirbluten
ihrblutet
sie/Siebluten
ichblute
dublutest
er/sie/esblute
wirbluten
ihrblutet
sie/Siebluten
ichwürde bluten
duwürdest bluten
er/sie/eswürde bluten
wirwürden bluten
ihrwürdet bluten
sie/Siewürden bluten
dublute
ihrblutet
Siebluten