verb
bloeden
B1
bluten betekent ‘bloeden’ of ‘bloed verliezen’. Het is een zwak, niet-scheidbaar en niet-reflexief werkwoord; voltooid deelwoord: geblutet. Perfekt met haben: hat geblutet. Veel gebruikt in medische en alledaagse contexten.
Voorbeelden
Die Wunde blutet.
De wond bloedt.
Der Verletzte blutete stark, als er auf den scharfen Metallrand fiel.
De gewonde bloedde hevig toen hij op de scherpe metalen rand viel.
Ich habe geblutet.
Ik heb gebloed.
Details
Ezelsbruggetjes
stel je een kleine rode druppel voor die zich vormt en van een wond valt.
klinkt als Engels 'bleed' en 'blood' — verbonden met bloeden.
Opmerkingen
Meestal onovergankelijk (de wond bloedt). Ook figuurlijk gebruikt (bijv. 'dafür bluten' = 'de prijs betalen'). | Onovergankelijk werkwoord; passieve vervoegingsblokken zijn niet van toepassing en zijn gemarkeerd als 'niet van toepassing'.