adjective
schoon, netjes, opgeruimd
A2
sauber betekent ‘schoon’ of ‘netjes’. Het is een regelmatig, gradabel bijvoeglijk naamwoord: sauberer, am saubersten. Je gebruikt het attributief en predicatief. Tegenstelling: schmutzig. Heel gebruikelijk in het dagelijks taalgebruik.
Voorbeelden
Sie hält ihre Bücher sauber und ordentlich.
Ze houdt haar boeken netjes en ordelijk.
Das Zimmer ist sauber.
De kamer is schoon.
Die Putzfrau wischte die Küche sauber, bevor die Gäste am Abend ankamen.
De schoonmaakster maakte de keuken schoon voordat de gasten 's avonds aankwamen.
Details
Ezelsbruggetjes
stel je zeep (sa-) voor die glanst op een beer (-ber) die er netjes uitziet
klinkt een beetje als ‘sober’ — stel je iemand voor die nuchter en netjes is
Opmerkingen
Veelgebruikt alledaags bijvoeglijk naamwoord voor netheid en orde. Vaak gebruikt in «sauber machen» (schoonmaken).