adjective
hard, stevig, taaI
A2
hart betekent ‘hard’, ‘stevig’ of figuurlijk ‘zwaar/moeilijk’. Het is een trapbaar bijvoeglijk naamwoord: härter, am härtesten. Veelgebruikte tegenstellingen zijn weich en zart. Je gebruikt het attributief en predicatief, voor voorwerpen, situaties of mensen.
Voorbeelden
Die Prüfung war hart, obwohl viele Studenten länger als erwartet gelernt hatten.
Het examen was moeilijk, hoewel veel studenten langer dan verwacht hadden gestudeerd.
Die Arbeit war sehr hart, aber ich habe es geschafft.
Het werk was erg zwaar, maar ik heb het gered.
Das Brot ist heute hart.
Het brood is vandaag hard.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een steen voor met het label «hart» om «hard» te onthouden.
hart klinkt als ‘heart’ zonder de klinkerverschuiving — denk aan een hard hart.
Opmerkingen
Vergrotende trap: härter; overtreffende trap: am härtesten.