noun
zout
A1
Salz betekent ‘zout’. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Salz. De hoofdbetekenis is keukenzout of een mineraal; het meervoud Salze gebruik je voor soorten zouten of chemische zouten. Genitief: des Salzes. In de keuken vaak een stofnaam, dus niet telbaar.
Voorbeelden
Kannst du mir bitte das Salz geben?
Kun je me alsjeblieft het zout geven?
Nachdem der Koch zu viel Salz in die Suppe getan hatte, rief die Kellnerin den Chef, damit das Gericht noch gerettet werden konnte.
Nadat de kok te veel zout in de soep had gedaan, riep de serveerster de chef zodat het gerecht nog gered kon worden.
Bitte gib etwas Salz dazu.
Doe er alsjeblieft wat zout bij.
Details
Ezelsbruggetjes
Denk aan Engels «salt». «Salz» deelt de «s»- en «l»-klanken.
Das Salz — veel stoffen (metalen/chemicaliën) zijn onzijdig; onthoud «das Salz».
Opmerkingen
Meestal niet-telbaar; meervoud «Salze» wanneer het om verschillende chemische zouten gaat.