noun
zaterdag
A1
Samstag betekent ‘zaterdag’. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Samstag, meervoud Samstage. Bij een dag van de week gebruik je meestal am: am Samstag. Genitief enkelvoud: des Samstags. Regionaal komt ook Sonnabend voor.
Voorbeelden
Am Samstag gehe ich gerne einkaufen.
Op zaterdag ga ik graag winkelen.
Obwohl am Samstag viele Kunden erwartet wurden, blieb das Geschäft leer, weil ein großer Unfall die Straße blockiert hatte.
Hoewel er op zaterdag veel klanten werden verwacht, bleef de winkel leeg omdat een groot ongeluk de weg had geblokkeerd.
Am Samstag habe ich frei.
Op zaterdag ben ik vrij.
Details
Ezelsbruggetjes
Samstag klinkt als «Sam's tag» — denk aan Sam met een vrije dag (zaterdag).
Der Samstag — de dagen van de week zijn in het Duits mannelijk: der Montag, der Dienstag, der Samstag.
Opmerkingen
Veelgebruikt; in sommige regio's wordt in plaats daarvan «Sonnabend» gebruikt.