noun
ham
A1
Schinken (m.) betekent ‘ham’: gezouten of gerookt varkensvlees. Het meervoud is Schinken; in het dagelijks gebruik is het vaak een stofnaam. Mannelijk zelfstandig naamwoord met regelmatige verbuiging. Komt veel voor in de keuken en in vaste voedselcombinaties.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Ich esse gerne Brot mit Schinken und Käse.
Ik eet graag brood met ham en kaas.
Zum Frühstück esse ich Schinken und Brot.
Bij het ontbijt eet ik ham en brood.
Die Küche servierte den Schinken warm, nachdem er mariniert worden war, weil die Gäste genau dieses Gericht bestellt hatten.
De keuken serveerde de ham warm nadat die was gemarineerd, omdat de gasten precies dat gerecht hadden besteld.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Schinken lijkt een beetje op «shank» (een stuk vlees) — associeer het met ham
Der Schinken — veel vleessoorten zijn mannelijk (der Käse, der Schinken).
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Wordt meestal zonder lidwoord gebruikt in opsommingen; het meervoud is vaak identiek « Schinken » wanneer het om plakken of soorten gaat.