noun
vis
A1
Fisch is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Fisch = ‘vis’ als dier of als voedsel, afhankelijk van de context. Meervoud: Fische. Het woord wordt regelmatig verbogen. In de keuken kan het als massawoord klinken; voor dieren is het telbaar: ein Fisch, viele Fische.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Die Köchin servierte den Fisch, den sie am Morgen frisch kaufte, als die Gäste Platz nahmen.
De kokkin serveerde de vis die ze ’s ochtends vers had gekocht, toen de gasten gingen zitten.
Ich esse gerne Fisch.
Ik eet graag vis.
Ich esse gerne Fisch zum Abendessen.
Ik eet graag vis als avondeten.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
stel je een vis op een bord voor met het label «der Fisch»
zoals Engels «fish» — identiek geluid
der = stel je een mannelijke visser voor («der») die een vis vangt
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Het meervoud kan «Fische» zijn (afzonderlijke vissen) of «Fisch» (vis als voedsel in het algemeen).