Rücken

noun
rug, achterkant
A2

Mannelijk zelfstandig naamwoord: ‘rug’, de achterkant van het lichaam. Meervoud: die Rücken. Genitief enkelvoud: des Rückens. Veelgebruikte uitdrukkingen: am Rücken, Rückenschmerzen, jmdm. den Rücken stärken/kehren.

Voorbeelden

Der Physiotherapeut massierte den Rücken des Mannes, weil die Verspannungen stark waren.
De fysiotherapeut masseerde de rug van de man omdat de spanningen sterk waren.
Mein Rücken tut weh, weil ich gestern falsch gehoben habe.
Mijn rug doet pijn omdat ik gisteren verkeerd heb getild.
Ich habe Rückenschmerzen.
Ik heb rugpijn.

Details

MeervoudRücken

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativeder Rückendie Rücken
genitivedes Rückensder Rücken
dativedem Rückenden Rücken
accusativeden Rückendie Rücken

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een menselijk silhouet voor waarbij de rug wordt benadrukt.
👂Rücken klinkt als ‘ricken’ — stel je een richel langs de rug voor.
⚧️der Rücken — mannelijk: stel je een sterke man (der) met een brede rug voor.

Opmerkingen

Gebruikt voor het lichaamsdeel en soms voor meubels (de achterkant van een stoel).

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek