noun
tand, tanden (mv.)
A2
Zahn is een mannelijk zelfstandig naamwoord en betekent ‘tand’. Meervoud: Zähne, met umlaut. Genitief enkelvoud: des Zahns; datief meervoud: den Zähnen. Veel gebruikt in anatomie en tandheelkunde, en in samenstellingen zoals Zahnarzt.
Voorbeelden
Mein Zahn tut weh, ich muss zum Zahnarzt.
Mijn tand doet pijn, ik moet naar de tandarts.
Der Patient erklärte dem Arzt, dass man an dem Zahn ein Problem festgestellt hatte, bevor der Termin vereinbart wurde.
De patiënt legde de arts uit dat er een probleem aan de tand was vastgesteld voordat de afspraak werd gemaakt.
Die Kinder haben gesunde Zähne.
De kinderen hebben gezonde tanden.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een helderwitte tand voor met het label «Zahn».
klinkt als «son», maar begin met «Z» — onthoud: «Zahn» = tand.
der Zahn — denk aan «der» voor harde dingen waar je naar kunt wijzen (tand)
Opmerkingen
Meervoud is onregelmatig: « Zähne ».