noun
hals, nek
A2
Hals is een mannelijk zelfstandig naamwoord en betekent „nek”: het lichaamsdeel dat hoofd en romp verbindt. Meervoud: Hälse. Genitief enkelvoud: des Halses. Komt vaak voor in uitdrukkingen als am Hals, um den Hals en in samenstellingen zoals Halsschmerzen.
Voorbeelden
Er hat einen Sonnenbrand am Hals.
Hij heeft zonnebrand op zijn nek.
Der Arzt untersuchte den Hals des Kindes, weil die Mutter über starke Schmerzen geklagt hatte.
De arts onderzocht de keel van het kind, omdat de moeder had geklaagd over hevige pijn.
Ich habe Halsschmerzen.
Ik heb keelpijn.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een sjaal voor die om de ‘Hals’ (nek) gewikkeld is.
Hals klinkt als ‘halls’ zonder de klinker — stel je de nek voor als een gang.
de Hals — denk aan ‘de’ en ‘de man’ (mannelijk lichaamsdeel).
Opmerkingen
Het meervoud ‘Hälse’ met umlaut is gebruikelijk wanneer men over meerdere halzen/nekken spreekt.