passen

verb
passen, staan, geschikt zijn
A2

passen is een regelmatig werkwoord en betekent ‘passen’, ‘geschikt zijn’ of ‘goed staan’. Bij een persoon staat die persoon in de datief: Das Hemd passt mir. Vaak met zu: Das passt zu dir. Voltooid deelwoord: gepasst.

Voorbeelden

Die Schuhe passten ihm nicht.
De schoenen pasten hem niet.
Der Käufer bemerkte, dass das Hemd nicht passte, obwohl er normalerweise immer diese Größe trug.
De koper merkte dat het overhemd niet paste, hoewel hij normaal altijd die maat droeg.
Das hat gut gepasst.
Dat paste goed.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigJa
Werkwoordtypeweak

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es passt
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es passte
Perfekter/sie/es hat gepasst

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een shirt voor dat perfect om iemand heen past
👂zoals het Engelse «pass» met -en

Opmerkingen

Wordt vaak gebruikt voor kleding die past en voor schema’s/afspraken. | Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichpasse
dupasst
er/sie/espasst
wirpassen
ihrpasst
sie/Siepassen
ichpasse
dupassest
er/sie/espasse
wirpassen
ihrpasset
sie/Siepassen
ichwürde passen
duwürdest passen
er/sie/eswürde passen
wirwürden passen
ihrwürdet passen
sie/Siewürden passen
dupass
ihrpasst
Siepassen