verb
passen, staan, geschikt zijn
A2
passen is een regelmatig werkwoord en betekent ‘passen’, ‘geschikt zijn’ of ‘goed staan’. Bij een persoon staat die persoon in de datief: Das Hemd passt mir. Vaak met zu: Das passt zu dir. Voltooid deelwoord: gepasst.
Voorbeelden
Die Schuhe passten ihm nicht.
De schoenen pasten hem niet.
Der Käufer bemerkte, dass das Hemd nicht passte, obwohl er normalerweise immer diese Größe trug.
De koper merkte dat het overhemd niet paste, hoewel hij normaal altijd die maat droeg.
Das hat gut gepasst.
Dat paste goed.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een shirt voor dat perfect om iemand heen past
zoals het Engelse «pass» met -en
Opmerkingen
Wordt vaak gebruikt voor kleding die past en voor schema’s/afspraken. | Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.