Pass

noun
paspoort
A1

Pass is een mannelijk zelfstandig naamwoord: ‘paspoort’. Meervoud: Pässe. Het woord verwijst vooral naar een reis- of identiteitsdocument. Verbuiging: der Pass, des Passes, dem Pass, den Pass. Niet verwarren met het Engelse pass in sport.

Voorbeelden

Für die Reise ins Ausland benötige ich einen gültigen Pass.
Voor de reis naar het buitenland heb ik een geldig paspoort nodig.
Der Reisende suchte den Pass, weil die Grenzbeamten den Pass sehen wollten, bevor sie ihn passieren ließen.
De reiziger zocht naar het paspoort, omdat de grensbeambten het paspoort wilden zien voordat ze hem lieten passeren.
Ich habe meinen Pass am Flughafen vergessen.
Ik ben mijn paspoort op het vliegveld vergeten.

Details

MeervoudPässe

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativeder Passdie Pässe
genitivedes Passesder Pässe
dativedem Passden Pässen
accusativeden Passdie Pässe

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een paspoort voor met een grote vliegtuig-icoon erop gestempeld.
👂klinkt als het Engelse ‘pass’ — een document waarmee je grenzen kunt passeren.
⚧️der — stel je een mannelijke grensbeambte voor die je Pass afstempelt.

Opmerkingen

Pass (der) meervoud: Pässe. Veelgebruikt reisdocument; umlaut in het meervoud: Pass → Pässe.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek