noun
paspoort
A1
Pass is een mannelijk zelfstandig naamwoord: ‘paspoort’. Meervoud: Pässe. Het woord verwijst vooral naar een reis- of identiteitsdocument. Verbuiging: der Pass, des Passes, dem Pass, den Pass. Niet verwarren met het Engelse pass in sport.
Voorbeelden
Für die Reise ins Ausland benötige ich einen gültigen Pass.
Voor de reis naar het buitenland heb ik een geldig paspoort nodig.
Der Reisende suchte den Pass, weil die Grenzbeamten den Pass sehen wollten, bevor sie ihn passieren ließen.
De reiziger zocht naar het paspoort, omdat de grensbeambten het paspoort wilden zien voordat ze hem lieten passeren.
Ich habe meinen Pass am Flughafen vergessen.
Ik ben mijn paspoort op het vliegveld vergeten.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een paspoort voor met een grote vliegtuig-icoon erop gestempeld.
klinkt als het Engelse ‘pass’ — een document waarmee je grenzen kunt passeren.
der — stel je een mannelijke grensbeambte voor die je Pass afstempelt.
Opmerkingen
Pass (der) meervoud: Pässe. Veelgebruikt reisdocument; umlaut in het meervoud: Pass → Pässe.