noun
wachtwoord
A2
Passwort (onz.) betekent ‘wachtwoord’. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Passwort; onregelmatig meervoud: Passwörter. Genitief enkelvoud: des Passworts; datief meervoud: den Passwörtern. Veelgebruikt in IT en beveiliging; houd het geheim.
Voorbeelden
Der Nutzer erinnerte sich nicht an das Passwort, weil das Dokument, auf dem es stand, verloren ging.
De gebruiker herinnerde zich het wachtwoord niet, omdat het document waarop het stond verloren was gegaan.
Bitte gib dein Passwort ein, um dich anzumelden.
Voer uw wachtwoord in om in te loggen.
Ich habe mein Passwort vergessen.
Ik ben mijn wachtwoord vergeten.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een sleutel van letters voor, een 'woord-sleutel', die een digitaal slot met 'Login' opent.
Denk aan 'pass' + 'word' — een woord waarmee je mag passeren.
das Passwort — denk aan een klein digitaal 'das'-schild dat het wachtwoord beschermt.
Opmerkingen
Meervoud meestal 'Passwörter'. Genitief enkelvoud is meestal 'des Passworts' (soms 'des Passwortes'). Vaak gebruikt in computer- en internetcontexten voor accounttoegang en beveiliging.