verb
gebeuren, plaatsvinden, passeren
A2
passieren betekent ‘gebeuren’, ‘plaatsvinden’ en ook ‘voorbijgaan / passeren’. Bij gebeurtenissen vormt het perfect meestal met sein: Es ist passiert. Vaak staat er een datief bij de persoon: Was ist dir passiert? Zwak werkwoord, niet scheidbaar en niet wederkerig.
Voorbeelden
Was ist hier passiert?
Wat is hier gebeurd?
Was passiert hier?
Wat gebeurt hier?
Ein Fahrrad passierte mich auf der Straße.
Een fiets passeerde mij op straat.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een gebeurtenis voor die voorbij een straatbord loopt met daarop ‘passieren’
klinkt als ‘pass here’ — iets passeert of gebeurt
Opmerkingen
Vaak onovergankelijk gebruikt in de betekenis van ‘gebeuren’ (in het perfect met sein: ‘es ist passiert’). Kan ook ‘passeren’ betekenen in de zin van voorbijgaan. Perfectvormen met een persoonsvorm als onderwerp (bijv. ‘ich bin passiert’) zijn doorgaans niet idiomatisch; het onpersoonlijke ‘es’ is het normale onderwerp voor de betekenis ‘gebeuren’. Passieve constructies zijn normaal gesproken niet geschikt voor de betekenis ‘gebeuren’. | Onovergankelijk/onpersoonlijk gebruik is gebruikelijk; passieve vormen zijn niet van toepassing voor de betekenis ‘gebeuren’.