passieren

verb
gebeuren, plaatsvinden, passeren
A2

passieren betekent ‘gebeuren’, ‘plaatsvinden’ en ook ‘voorbijgaan / passeren’. Bij gebeurtenissen vormt het perfect meestal met sein: Es ist passiert. Vaak staat er een datief bij de persoon: Was ist dir passiert? Zwak werkwoord, niet scheidbaar en niet wederkerig.

Voorbeelden

Was ist hier passiert?
Wat is hier gebeurd?
Was passiert hier?
Wat gebeurt hier?
Ein Fahrrad passierte mich auf der Straße.
Een fiets passeerde mij op straat.

Details

Hulpwerkwoordsein
ScheidbaarNee
RegelmatigJa
Werkwoordtypeweak

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es passiert
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es passierte
Perfekter/sie/es ist passiert

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een gebeurtenis voor die voorbij een straatbord loopt met daarop ‘passieren’
👂klinkt als ‘pass here’ — iets passeert of gebeurt

Opmerkingen

Vaak onovergankelijk gebruikt in de betekenis van ‘gebeuren’ (in het perfect met sein: ‘es ist passiert’). Kan ook ‘passeren’ betekenen in de zin van voorbijgaan. Perfectvormen met een persoonsvorm als onderwerp (bijv. ‘ich bin passiert’) zijn doorgaans niet idiomatisch; het onpersoonlijke ‘es’ is het normale onderwerp voor de betekenis ‘gebeuren’. Passieve constructies zijn normaal gesproken niet geschikt voor de betekenis ‘gebeuren’. | Onovergankelijk/onpersoonlijk gebruik is gebruikelijk; passieve vormen zijn niet van toepassing voor de betekenis ‘gebeuren’.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichpassiere (grammatisch möglich, selten idiomatisch)
dupassierst
er/sie/espassiert
wirpassieren
ihrpassiert
sie/Siepassieren
ichpassiere
dupassierest
er/sie/espassiere
wirpassieren
ihrpassieret
sie/Siepassieren
ichwürde passieren
duwürdest passieren
er/sie/eswürde passieren
wirwürden passieren
ihrwürdet passieren
sie/Siewürden passieren
dunicht gebräuchlich
ihrnicht gebräuchlich
Siepassieren (formell, selten)