verb
aantrekken, aandoen, zich aankleden
A1
anziehen betekent vooral ‘aantrekken’ van kleding of wederkerig ‘zich aankleden’: sich anziehen. Het is een scheidbaar sterk werkwoord: Präteritum zog an, Partizip II angezogen. Perfekt met haben. Zonder wederkerigheid kan het ook ‘aantrekken’ in de zin van ‘aantrekkelijk maken’ betekenen.
Voorbeelden
Andreas hat sich die Jacke angezogen.
Andreas heeft zijn jas aangetrokken.
Der Besucher zog seine Jacke an, bevor er das Gebäude verließ.
De bezoeker trok zijn jas aan voordat hij het gebouw verliet.
Sie zieht sich schnell an.
Ze kleedt zich snel aan.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je een jas over je schouders trekt.
an-ziehen — 'an' (aan) + 'ziehen' (trekken) = aantrekken.
Opmerkingen
Scheidbaar werkwoord in de betekenis 'aantrekken' (ich ziehe die Jacke an). Kan wederkerend zijn (sich anziehen) in de betekenis 'zich aankleden'. Sterk werkwoord: Präteritum 'zog' en Partizip II 'angezogen'.