verb
tegenhouden, stoppen, vertragen
B1
aufhalten betekent vooral „tegenhouden”, „ophouden” of „vertragen”. Het is een scheidbaar sterk/onregelmatig werkwoord: auf|halten. In de tegenwoordige tijd is er klinkerwisseling (du hältst auf); voltooid deelwoord: aufgehalten. In deze betekenis niet wederkerend.
Voorbeelden
Der Bus hatte Verspätung und hielt unsere Abfahrt auf.
De bus had vertraging en hield ons vertrek op.
Ich halte mich im Park auf.
Ik ben in het park.
Er hat sich lange aufgehalten.
Hij is lang gebleven.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand voor die een hand opsteekt voor een rijdende trein om hem te stoppen.
Klinkt als ‘off-halt’ — stel je voor dat je iets op afstand houdt.
Opmerkingen
aufhalten is een scheidbaar werkwoord (het voorvoegsel auf- scheidt zich in vervoegde vormen). Wordt vaak gebruikt voor iets stoppen of iemand/iets vertragen. Voltooid deelwoord: aufgehalten.