verb
naaien
B1
nähen is een regelmatig werkwoord en betekent „naaien”: stof met naald en draad, met de hand of met de machine, aan elkaar verbinden. Perfect: hat genäht. Präteritum: nähte. Voltooid deelwoord: genäht. Niet scheidbaar en niet wederkerig.
Voorbeelden
Ich nähe ein Kleid.
Ik naai een jurk.
Meine Mutter näht einen Mantel.
Mijn moeder naait een jas.
Sie nähte einen Rock.
Ze naaide een rok.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een naald voor die kleine «nähe»-steekjes maakt — het werkwoord betekent naaien.
Klinkt als «nay-hen» — zeg ‘nee’ tegen stof knippen en ga dan naaien.
Opmerkingen
Een regelmatig zwak werkwoord met de stamklinker «ä» in de tegenwoordige tijd. Het voltooid deelwoord ziet er onregelmatig uit door het voorvoegsel «ge-» plus de stam: «genäht».