noun
naam
A1
Name (der) betekent ‘naam’. Het kan gaan om de naam van een persoon of van iets. Meervoud: Namen. Genitief enkelvoud: des Namens; accusatief: den Namen. Het is een zwak mannelijk zelfstandig naamwoord: dem Namen, den Namen. Veel gebruikt in formulieren.
Voorbeelden
Wie ist dein Name?
Hoe heet je?
Wie ist Ihr Name, bitte?
Hoe heet u, alstublieft?
Der Beamte verlangte, dass der Kunde seinen Namen auf dem Formular unterschrieb, bevor der Antrag geprüft wurde.
De ambtenaar eiste dat de klant zijn naam op het formulier ondertekende voordat de aanvraag werd beoordeeld.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een naambordje voor met «der Name» erop.
Lijkt op het Engelse «name» — dezelfde betekenis.
Mannelijk: onthoud «der Name» (eindigt op -e maar is mannelijk).
Opmerkingen
Mannelijk zelfstandig naamwoord; genitief enkelvoud vaak: «des Namens».