verb
plakken, kleven
B1
kleben betekent ‘plakken’, ‘vastkleven’ of ‘lijmen’. Het is een regelmatig zwak werkwoord: voltooid deelwoord geklebt, hulpwerkwoord haben. Niet scheidbaar en niet wederkerig. Vaak met an of auf, bv. an der Wand kleben.
Voorbeelden
Der Kleber hilft, das Papier zusammenzukleben.
De lijm helpt het papier aan elkaar te plakken.
Ich klebe das Poster an die Wand.
Ik plak de poster aan de muur.
Ich habe den Umschlag zugeklebt.
Ik heb de envelop dichtgeplakt.
Details
Ezelsbruggetjes
stel je lijm voor die ‘omhoog klimt’ op een oppervlak en het stevig vasthoudt
klinkt als «cleave» (aan elkaar kleven)
Opmerkingen
Regelmatig (zwak) werkwoord. Gebruikt «haben» als hulpwerkwoord in voltooide tijden. Wordt ook figuurlijk gebruikt (bijv. «es klebt an mir» = «het kleeft aan mij»).