kleben

verb
plakken, kleven
B1

kleben betekent ‘plakken’, ‘vastkleven’ of ‘lijmen’. Het is een regelmatig zwak werkwoord: voltooid deelwoord geklebt, hulpwerkwoord haben. Niet scheidbaar en niet wederkerig. Vaak met an of auf, bv. an der Wand kleben.

Voorbeelden

Der Kleber hilft, das Papier zusammenzukleben.
De lijm helpt het papier aan elkaar te plakken.
Ich klebe das Poster an die Wand.
Ik plak de poster aan de muur.
Ich habe den Umschlag zugeklebt.
Ik heb de envelop dichtgeplakt.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigJa
Werkwoordtypeweak

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es klebt
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es klebte
Perfekter/sie/es hat geklebt

Ezelsbruggetjes

👁️stel je lijm voor die ‘omhoog klimt’ op een oppervlak en het stevig vasthoudt
👂klinkt als «cleave» (aan elkaar kleven)

Opmerkingen

Regelmatig (zwak) werkwoord. Gebruikt «haben» als hulpwerkwoord in voltooide tijden. Wordt ook figuurlijk gebruikt (bijv. «es klebt an mir» = «het kleeft aan mij»).

Categorie

Woordenschatverkenner

In de buurt in het woordenboek

ichklebe
duklebst
er/sie/esklebt
wirkleben
ihrklebt
sie/Siekleben
ichwerde geklebt
duwirst geklebt
er/sie/eswird geklebt
wirwerden geklebt
ihrwerdet geklebt
sie/Siewerden geklebt
ichklebe
duklebest
er/sie/esklebe
wirkleben
ihrklebet
sie/Siekleben
ichwerde geklebt
duwerdest geklebt
er/sie/eswerde geklebt
wirwerden geklebt
ihrwerdet geklebt
sie/Siewerden geklebt
ichklebte
duklebtest
er/sie/esklebte
wirklebten
ihrklebtet
sie/Sieklebten
ichwürde geklebt
duwürdest geklebt
er/sie/eswürde geklebt
wirwürden geklebt
ihrwürdet geklebt
sie/Siewürden geklebt
duklebe! / kleb!
ihrklebt!
SieKleben Sie!