nah

adjective
dichtbij, nabij, vlakbij
B1

nah betekent ‘dichtbij, nabij’. Het is een bijvoeglijk naamwoord, maar kan ook bijwoordelijk gebruikt worden. Vergrotende trap: näher; overtreffende trap: am nächsten. Tegenstellingen: weit, fern. Het wordt normaal verbogen en kan met voorzetsels voorkomen, bv. nah an + datief.

Voorbeelden

Komm her, du bist ganz nah!
Kom hier, je bent heel dichtbij!
Das Hotel lag nah am Bahnhof, weil der Zug früher ankam und viele Reisende ausstiegen.
Het hotel lag dicht bij het station, omdat de trein eerder aankwam en veel reizigers uitstapten.
Das Geschäft ist nah.
De winkel is dichtbij.

Details

VergelijkbaarJa
Vergrotende trapnäher
Overschrijvende trapam nächsten
Voltooid deelwoordNee

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je twee stippen voor die elkaar bijna raken — ze zijn «nah» van elkaar
👂klinkt als Engels «nah» in «nah, I’m close» (informeel)

Opmerkingen

Wordt vaak gebruikt als predicatief bijvoeglijk naamwoord («ist nah») en in vergelijkingen («näher»). In de spreektaal wordt in sommige contexten soms liever «in der Nähe» (zelfstandig naamwoord) gebruikt.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek