adjective
dichtbij, nabij, vlakbij
B1
nah betekent ‘dichtbij, nabij’. Het is een bijvoeglijk naamwoord, maar kan ook bijwoordelijk gebruikt worden. Vergrotende trap: näher; overtreffende trap: am nächsten. Tegenstellingen: weit, fern. Het wordt normaal verbogen en kan met voorzetsels voorkomen, bv. nah an + datief.
Voorbeelden
Komm her, du bist ganz nah!
Kom hier, je bent heel dichtbij!
Das Hotel lag nah am Bahnhof, weil der Zug früher ankam und viele Reisende ausstiegen.
Het hotel lag dicht bij het station, omdat de trein eerder aankwam en veel reizigers uitstapten.
Das Geschäft ist nah.
De winkel is dichtbij.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je twee stippen voor die elkaar bijna raken — ze zijn «nah» van elkaar
klinkt als Engels «nah» in «nah, I’m close» (informeel)
Opmerkingen
Wordt vaak gebruikt als predicatief bijvoeglijk naamwoord («ist nah») en in vergelijkingen («näher»). In de spreektaal wordt in sommige contexten soms liever «in der Nähe» (zelfstandig naamwoord) gebruikt.