runterwerfen

verb
naar beneden gooien, afgooien, omvergooien
B1

runterwerfen is een scheidbaar sterk werkwoord en betekent ‘naar beneden gooien’ of ‘eraf gooien’. In de hoofdzin scheidt runter zich af: du wirfst es runter. Voltooid deelwoord: runtergeworfen; perfect met haben. Onregelmatig: du wirfst, er wirft.

Voorbeelden

Er hat die Tasse aus Versehen runtergeworfen.
Hij liet de beker per ongeluk vallen.
Ich habe das Buch runtergeworfen.
Ik heb het boek naar beneden gegooid.
Ich werfe den Ball runter.
Ik gooi de bal naar beneden.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarJa
RegelmatigNee
Werkwoordtypestrong
Stamveranderingenfrom 'werfen': present e→i in du/er (du wirfst, er wirft); past 'warf', participle 'geworfen' -> with prefix 'runter' -> 'runtergeworfen'

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es wirft ... runter
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es warf ... runter
Perfekter/sie/es hat ... runtergeworfen

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je voor dat iemand een kopje van tafel gooit — het gaat 'runter' (omlaag) omdat het 'geworfen' is.
👂Denk aan 'runter' = 'omlaag' + 'werfen' = 'gooien' (zoals 'naar beneden gooien').

Opmerkingen

Scheidbaar werkwoord: in de tegenwoordige tijd scheidt het voorvoegsel 'runter' zich af (bijv. 'ich werfe die Tasse runter'). Het voltooid deelwoord is meestal 'runtergeworfen' (of formeler 'heruntergeworfen'). Gebruikt 'haben' in voltooide tijden.

Categorie

Woordenschatverkenner

In de buurt in het woordenboek

ichwerfe ... runter
duwirfst ... runter
er/sie/eswirft ... runter
wirwerfen ... runter
ihrwerft ... runter
sie/Siewerfen ... runter
ichwerde runtergeworfen
duwirst runtergeworfen
er/sie/eswird runtergeworfen
wirwerden runtergeworfen
ihrwerdet runtergeworfen
sie/Siewerden runtergeworfen
ichwerfe ... runter
duwerfest ... runter
er/sie/eswerfe ... runter
wirwerfen ... runter
ihrwerfet ... runter
sie/Siewerfen ... runter
ichwerde runtergeworfen
duwerdest runtergeworfen
er/sie/eswerde runtergeworfen
wirwerden runtergeworfen
ihrwerdet runtergeworfen
sie/Siewerden runtergeworfen
ichwürde ... runterwerfen
duwürdest ... runterwerfen
er/sie/eswürde ... runterwerfen
wirwürden ... runterwerfen
ihrwürdet ... runterwerfen
sie/Siewürden ... runterwerfen
ichwürde runtergeworfen werden
duwürdest runtergeworfen werden
er/sie/eswürde runtergeworfen werden
wirwürden runtergeworfen werden
ihrwürdet runtergeworfen werden
sie/Siewürden runtergeworfen werden
duwirf ... runter!
ihrwerft ... runter!
SieWerfen ... runter!