noun
leven
A1
Leben is een onzijdig zelfstandig naamwoord en betekent ‘leven’, ‘bestaan’ of soms ‘levensloop’. Enkelvoud: das Leben; meervoud blijft gelijk: die Leben. Genitief enkelvoud: des Lebens. Het kan abstract zijn of tellend: ein Leben. Veel gebruikt in uitdrukkingen en samenstellingen met Lebens-.
Voorbeelden
Viele Risiken veränderten sein Leben, als er den Job wechselte.
Veel risico's veranderden zijn leven toen hij van baan veranderde.
Das Leben ist nicht immer einfach.
Het leven is niet altijd gemakkelijk.
Das Leben in der Stadt ist oft hektisch und laut.
Het leven in de stad is vaak hectisch en luidruchtig.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een levensgrote kalender voor die een heel leven vertegenwoordigt.
Onzijdig «das» — stel je leven voor als een klein doosje: das Leben.
Opmerkingen
Zelfstandig naamwoord «Leben» wordt zowel telbaar (een leven) als ontelbaar gebruikt. Meervoud vaak «Leben».