noun
familie
A1
„Familie” betekent „familie”: verwanten, gezin of huishouden. Het is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord; meervoud: Familien. Het wordt regelmatig verbogen en komt vaak voor in alledaagse, sociale en administratieve contexten, bijvoorbeeld in der Familie.
Voorbeelden
Ich habe eine Familie.
Ik heb een gezin.
Die Einladung wurde an die Familie geschickt, weil die Feier am Wochenende stattfinden sollte.
De uitnodiging werd naar de familie gestuurd, omdat het feest in het weekend zou plaatsvinden.
Meine Familie wohnt in der Nähe.
Mijn familie woont in de buurt.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een groep familieleden samen voor.
Klinkt als het Engelse «family».
die (vrouwelijk) — stel je een moeder in het midden van de familie voor.
Opmerkingen
Verzamelnaam; het meervoud wordt vaak door de context of met «Familien» uitgedrukt.