noun
levensmiddelen, boodschappen, voedingsmiddelen
A1
Lebensmittel betekent ‘levensmiddelen’ of ‘voedingsmiddelen’: producten die je eet of koopt om te eten. Het is een onzijdig woord: das Lebensmittel, meervoud die Lebensmittel, vaak zonder vormverandering. Veelgebruikt verzamelwoord in winkel-, keuken- en handelscontext.
Voorbeelden
Im Supermarkt kaufe ich alle Lebensmittel für die Woche.
In de supermarkt koop ik alle boodschappen voor de week.
Die Gemeinde spendete Lebensmittel, weil viele Familien Hilfe benötigten.
De gemeenschap doneerde boodschappen omdat veel gezinnen hulp nodig hadden.
Ich kaufe Lebensmittel im Supermarkt.
Ik koop boodschappen in de supermarkt.
Details
Ezelsbruggetjes
stel je een boodschappentas vol eten voor met het label «Lebensmittel».
Denk aan «leven» (Leben) + «middel» (mittel) → dingen voor het leven = boodschappen.
onzijdig «das» — stel je een boodschappentas voor met het label «das».
Opmerkingen
Vaak in het meervoud gebruikt om artikelen aan te duiden die je in een winkel koopt. De meervoudsvorm is identiek: «Lebensmittel».