noun
kamp, magazijn
B1
Lager (n.) betekent ‘kamp’ of ‘opslagplaats/loods’, afhankelijk van de context. Het meervoud is gelijk: Lager. Genitief enkelvoud: des Lagers. Een gewoon woord, maar in sommige contexten kunnen er gevoelige historische connotaties meespelen.
Voorbeelden
Die Waren werden im Lager gelagert.
De goederen worden in het magazijn opgeslagen.
Ich gehe ins Lager.
Ik ga naar het magazijn.
Als die Waren im Lager ankamen, verteilte das Team die Kartons, damit die Filialen schnell beliefert werden konnten.
Toen de goederen in het magazijn aankwamen, verdeelde het team de dozen zodat de filialen snel bevoorraad konden worden.
Details
Ezelsbruggetjes
stel je rijen dozen of tenten voor om 'Lager' te onthouden.
klinkt als het Engelse 'lager' (bier) — maar denk aan stapels en opslag.
Das (onzijdig) — stel je een eenvoudige grijze doos voor (neutrale kleur) om 'das Lager' te onthouden.
Opmerkingen
Betekent meestal 'kamp' (bijv. vluchtelingen- of gevangenkamp) of 'magazijn' afhankelijk van de context; het meervoud kan gelijk zijn aan het enkelvoud ('Lager') of historisch 'Lager'/'Läger', maar 'Lager' is standaard.