verb
lachen
A1
lachen betekent „lachen”. Het is een regelmatig, zwak werkwoord zonder wederkerigheid; in de voltooide tijd gebruikt het haben: er hat gelacht. Ook mogelijk: lachen über + accusatief, „lachen om”. Voltooid deelwoord: gelacht.
Voorbeelden
Er lachte laut.
Hij lachte hardop.
Ich lache viel.
Ik lach veel.
Wir haben viel gelacht.
We hebben veel gelachen.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je mensen voor die lachen met tekstballonnen ‘Ha ha’ en het woord LACHEN erboven.
Klinkt als Engels ‘laugh’ met een Duitse uitgang.
Opmerkingen
lachen is regelmatig; voltooid deelwoord: gelacht. | Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.