lachen

verb
lachen
A1

lachen betekent „lachen”. Het is een regelmatig, zwak werkwoord zonder wederkerigheid; in de voltooide tijd gebruikt het haben: er hat gelacht. Ook mogelijk: lachen über + accusatief, „lachen om”. Voltooid deelwoord: gelacht.

Voorbeelden

Er lachte laut.
Hij lachte hardop.
Ich lache viel.
Ik lach veel.
Wir haben viel gelacht.
We hebben veel gelachen.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigJa
Werkwoordtypeweak

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es lacht
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es lachte
Perfekter/sie/es hat gelacht

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je mensen voor die lachen met tekstballonnen ‘Ha ha’ en het woord LACHEN erboven.
👂Klinkt als Engels ‘laugh’ met een Duitse uitgang.

Opmerkingen

lachen is regelmatig; voltooid deelwoord: gelacht. | Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichlache
dulachst
er/sie/eslacht
wirlachen
ihrlacht
sie/Sielachen
ichlache
dulachest
er/sie/eslache
wirlachen
ihrlachet
sie/Sielachen
ichlachte
dulachtest
er/sie/eslachte
wirlachten
ihrlachtet
sie/Sielachten
dulach!
ihrlacht!
Sielachen!