Bau

noun
bouw, constructie, gebouw, bouwwerk
B1

Bau (der Bau, meervoud die Bauten) betekent ‘bouw, constructie’ als proces, maar ook ‘gebouw’ of ‘bouwwerk’. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord. Genitief: des Baus; datief: dem Bau. Komt vaak voor in samenstellingen zoals Bauwesen en Bauvorhaben.

Voorbeelden

Der Bau wurde gestoppt, weil neue Bestimmungen bekannt wurden.
De bouw werd stopgezet omdat nieuwe voorschriften bekend werden gemaakt.
Der Bau des Hauses dauert zwei Jahre.
De bouw van het huis duurt twee jaar.
Der Bau des neuen Hauses dauert länger als geplant.
De bouw van het nieuwe huis duurt langer dan gepland.

Details

MeervoudBauten

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativeder Baudie Bauten
genitivedes Bausder Bauten
dativedem Bauden Bauten
accusativeden Baudie Bauten

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je steigers en een kraan voor die de omtrek van een gebouw vormen — het woord 'Bau' staat op een bouwhelm.
👂Klinkt als 'bow' — stel je een bouwproject voor dat buigt om een gebouw op te richten.
⚧️der — denk aan een mannelijke bouwchef (der Chef) die naar de bouwplaats wijst.

Opmerkingen

Bau verwijst vaak naar een bouwproject of naar het proces/resultaat van bouwen. Het meervoud is meestal 'Bauten' (bouwwerken/gebouwen). Niet verwarren met 'bauen' (het werkwoord).

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek