adjective
innerlijk, intern
B1
inner — bijvoeglijk naamwoord: ‘innerlijk’, ‘intern’. Het beschrijft wat zich binnenin bevindt, letterlijk of figuurlijk, zoals innerer Kreis of innere Organe. Vergelijking: innerer, innerstes. Attributief en predicatief bruikbaar; tegenovergestelde: außen.
Voorbeelden
Sein innerer Wunsch war es, die Welt zu sehen.
Zijn innerlijke wens was de wereld te zien.
Das Management entschied, dass nur der innere Kreis informiert wurde, weil das Projekt bis zur Veröffentlichung vertraulich bleiben sollte.
Het management besloot dat alleen de inner circle op de hoogte zou worden gebracht, omdat het project tot publicatie vertrouwelijk moest blijven.
Die inneren Abläufe des Unternehmens sind vertraulich.
De interne processen van het bedrijf zijn vertrouwelijk.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je de binnenkant van een huis voor en label dat beeld met ‘inner’ om ‘innerlijk / intern’ te onthouden.
Klinkt als het Engelse woord ‘inner’.
Opmerkingen
Komt vaak voor in verbogen vormen (innerer, inneres, innere, inneren). ‘Inner’ kan abstracter gebruikt worden (innerlijke gedachten) of fysiek (binnenste deel).