verb
handelen, doen, optreden, drijven, handeldrijven
B1
handeln betekent „handelen, optreden” of „handelen in de zin van kopen en verkopen / onderhandelen”. Het is een regelmatig zwak werkwoord, niet wederkerig, en vormt het perfect met haben: hat gehandelt. Let op: handeln von + datief = „gaan over”; mit jemandem handeln = „onderhandelen”.
Voorbeelden
In gefährlichen Situationen handelt sie sehr schnell.
In gevaarlijke situaties handelt ze heel snel.
Er handelte klug.
Hij handelde verstandig.
Der Anwalt handelte entschlossen, damit die Klage fristgerecht eingereicht wurde.
De advocaat handelde vastberaden zodat de rechtszaak op tijd werd ingediend.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand voor die een situatie ‘handelt’ (optreedt) of over een tafel onderhandelt over handel.
Klinkt als het Engelse ‘handle’ — een situatie aanpakken/hanteren.
Opmerkingen
Kan betekenen ‘handelen/doen’ of ‘handelen in/drijven’ afhankelijk van de context. Wordt zowel transitief als intransitief gebruikt.