verb
beperken, afschermen
B1
beschränken: zwak werkwoord met de betekenis ‘beperken’ of ‘inperken’. Voltooid deelwoord: beschränkt; perfect met haben. Kan transitief zijn (etwas beschränken) of wederkerig: sich auf + Akk. beschränken = zich beperken tot. Niet scheidbaar.
Voorbeelden
Ich habe mich auf das Nötigste beschränkt.
Ik heb me beperkt tot het hoognodige.
Die Firma beschränkt den Zutritt zur Baustelle aus Sicherheitsgründen.
Het bedrijf beperkt de toegang tot de bouwplaats om veiligheidsredenen.
Die neue Regelung beschränkt die Nutzung des Parkplatzes auf Anwohner.
De nieuwe regeling beperkt het gebruik van de parkeerplaats tot bewoners.
Details
Ezelsbruggetjes
stel je voor dat je een kleinere doos binnen een grotere tekent om een grens aan te geven
klinkt een beetje als «be-shrank-en» — denk aan «shrink» om iets te beperken
Opmerkingen
Wordt vaak gebruikt in letterlijke en abstracte contexten (bijv. hoeveelheden, rechten of toegang beperken).